home - over varens - alles over varens
Voortplanting       

 Varens vermenigvuldigen zich op meerdere manieren:
  • via sporen
  • vegetatief via: worteluitlopers of broedbollen aan het blad.

    Vermeerdering via sporen

    De meest kenmerkende en meest gebruikte vermeerdering van varens vindt plaats door middel van sporen. Uiterst kleine, nauwelijks met het oog zichtbare, stofdeeltjes, die niettemin het hele genoom in zich dragen. Er moet immers weer een volwassen plant uit groeien.

    figuur 1 figuur 2 figuur 3 figuur 4 figuur 5 figuur 6 figuur 7 figuur 8

    Uit de tekening van Luuk Jaarsma, Levenscyclus van de eikvaren (Polypodium vulgare).
    Open: Tekening levenscyclus van de eikvaren.

    Sporen worden door varens in overvloed geproduceerd. In ieder sporangium (fig.2) zitten ongeveer 60 sporen.
    De sporangia, zitten met ongeveer 60 samen in de sorus (enkelvoud van sori). Deze sori zitten op hun beurt
    weer met velen op een bladslip (fig.1). Die bladslip weer met vele aan een blad en meerdere bladen aan de plant. Als je dan gaat rekenen kom je aan astronomische aantallen sporen voor één plant.  Vaak staat een varensoort  niet alleen op een groeiplaats, zodat we er van kunnen uitgaan dat zo’n groeiplaats vele miljarden sporen produceert en het luchtruim in stuurt (fig.3). Ze zijn zo klein en licht dat ze makkelijk door de wind kunnen worden meegevoerd.

    Van al die sporen zal in de vrije natuur uiteindelijk maar een uiterst klein deel in staat zijn om tot ontwikkeling te komen om uiteindelijk weer een volwassen plant te vormen. 

    Een succesvolle plek moet voldoen aan vele condities van constante vochtigheid, juiste temperatuur, juiste belichting en juiste grondsoort.

    Als de spore op een plek is terechtgekomen de goede condities voldoet, groeit uit de spore een zogeheten voorkiem ofwel een gametophyte (fig.4). Een hartvormig orgaantje van ongeveer een centimeter groot en maar één cel dik. Die één cel dik betekent overmatig gevoelig voor uitdroging.

    Deze gametophyte staat met dunne haarworteltjes vast aan de ondergrond om vocht te kunnen blijven opnemen. Aan de onderzijde van het gametophyte bevinden zich ook twee orgaantjes (fig.5) waarin respectievelijk een vrouwelijk eicel en makkelijk zaadcellen worden geproduceerd.  Het archegonium en
    het antheridium.

    Wanneer de voorkiem zich volledig heeft ontwikkeld en eicel en zaadcellen rijp zijn, kunnen de zaadcellen, wanneer zich voldoende vocht rondom de voorkiem bevindt –bijvoorbeeld in de ochtendauw- , naar de eicel zwemmen (fig.6) om met haar samen te smelten.  Op dat moment begint dan de groei van de echte varen
    (de sporofyt). Eerst met nog hele kleine kiemblaadjes (fig.7) en later, gemiddeld binnen een jaar of drie, de volwassen varen (fig.8) met  bladeren van de maximale lengte. Die is dan opnieuw in staat om sporen te vormen en de cyclus rond te maken.

    Klik hier voor een prachtige serie microfoto's van de voortplanting via sporen

    Vegetatief: Vermeerdering via worteluitlopers

    Eerder in dit artikel werd al iets gezegd over soorten met kruipende rhizomen. Dit type varen heeft naast de mogelijkheid om zich via sporen te vermeerderen ook de mogelijkheid om zich via het kruipend rhizoom over een groter oppervlak te verspreiden. Soms over vele tientallen vierkante meters. Sommige van dit soort varens, zoals de bij ons ook bekende Adelaarsvaren, Pteridium acuilinum, zijn met deze voortplantingsstrategie in de loop van de evolutie zo succesvol geworden dat ze de mogelijkheid om zich ook via sporen te kunnen vermeerderen “vergeten” lijken.

    Het is vaak uiterst moeilijk om bij deze soorten nog zogenaamde fertiele=sporendragende bladveren te vinden. Kennelijk alleen onder nog niet goed begrepen omstandigheden zijn deze varens toch weer in staat om sporen te vormen en zich op deze manier te vermenigvuldigen.

    Phegopteris connectilis Matteuccia struthiopteris Polypodium vulgare

    Naast de typisch kruipende rhizoomvormende varens –zonder bekers- zijn er echter ook bekervormende varens die zich via lange uitlopers over grotere oppervlakten verspreiden. Soms wel tot tien meter of meer uit de oorspronkelijke moederplant. Een voorbeeld is de met name in Nederland in tuinen voorkomende Struisvaren, Matteuccia struthiopteris. Heldergroene bekers met in het najaar de bruine sporendragende aren.

    Oudere bekervarens kunnen in het nog levende deel van de oude bladscheden nieuwe groeipunten vormen, die zich weer tot volledige bekers kunnen ontwikkelen. Op deze manier kan een oorspronkelijk solitair staande beker in de loop der jaren dicht omringd worden door een heel cluster van dochterbekers waarin het soms moeilijk wordt nog de afzonderlijke bekers te herkennen. Zulke stoelen van bekers kunnen behoorlijk oud worden. Mede omdat ze met hun eigen afgestorven materiaal een eigen vochtvasthoudend milieu creëren.

    Vermeerdering via broedbollen aan het blad.

    Sommige varens hebben nog niet genoeg aan bovenstaande voortplantingsstrategieën en produceren aan hun bladeren zogenaamde broedbollen. Soms alleen een enkele aan de top van het blad. Soms meerdere – tot vele tientallen- onder of bovenop het blad. Soms alleen langs de centrale steel van het blad, soms ook langs de zijnerven.

    Polystichum setiferum 'Nantes' Cystopteris bulbifera Polystichum setiferum 'Herrenhausen'

    Een broedbol is te beschouwen als een weefseluitstulping die in staat is zelfstandig tot een nieuwe volwassen varen uit te groeien. Soms kan dat alleen als de broedbol aan het blad vast blijft zitten totdat het contact met de grond heeft gemaakt om zich daar met wortels te kunnen vasthechten, zoals bij de kettingvaren, Woodwardia radicans . Soms valt de broedbol van het blad af op de grond, om daar zelfstandig tot wortelvorming en vervolgens uitgroei te komen, zoals bij de bolletjesvaren, Cystopteris bulbifera. De naam zegt het al bij deze soort.

    Soms ontwikkelen de broedbollen zich al verder aan het blad, ook al hebben ze nog geen contact met de grond gekregen om tot een eigen ontwikkeling te komen, tot kleine miniatuur volwassen plantjes, zoals bij enkele Polystichum setiferum vormen, langs de hoofdnerf of bij Asplenium bulbiferum langs de zijnerven, of bij Woodwardia orientalis verspreid over het gehele blad.

    Als dit soort bladeren ouder worden en/of afsterven en verteren, vallen de plantjes alsnog op de grond om daar verder te leven.